De zevende donkere sfeer

Verslag van een aura-reading van het bezoek van de Christus aan de zevende donkere sfeer, een impressie.

 
Nog dieper gaat de Christus tot de zevende donkere sfeer, de allerlaagste sfeer. Hier zijn zij die hele volkeren tegen elkaar hebben opgezet om elkaar uit te moorden en te vernietigen met alle mogelijke middelen. Alles hebben ze ingezet om andere volkeren te verslaan en weg te vagen. Zij die het aangezicht van de aarde wilden veranderen door volkeren van de aardbodem te laten verdwijnen.
In deze duistere sfeer hebben ze krachten en hartstochten uitgeleefd zoals ze dat op aarde gedaan hebben. Zijn ze hier ook zelf het slachtoffer geworden van anderen. Hier liggen ook de volkomen uitgeleefde mensen bijna bewegingsloos. Soms gaat er een impuls door hen heen om met alle wreedheid die in hen is, te willen heersen.

De stem van de Christus begint door deze sfeer te klinken:
“Zwart onbeweeglijk, onaantastbaar, verstikkend, onleefbaar, ondoordringbaar.
Het leven is er hier uit, slechts de dood is hier. De verstikkende leegte van de duisternis.
De weg die niemand meer weet, niemand meer zal weten, die volkomen vergeten is.
Duisternis is alom. Niets beweegt hier. Nooit is hier meer leven.
Eeuwig is hier de duisternis, de verstikking, het onbeweeglijk zijn, het zonder leven zijn.
De duisternis is hier ondoordringbaar, geen mens komt hier doorheen.
Het is stil en doods hier, geen spoor van leven.
Het vlamt niet, niks.
Ik voel niets, geen zuchtje (wind), ( geen sprietje), niets dat leven doet vermoeden.
Het is stil; hier. De verstikking is alom.
Nooit zal er meer beweging zijn, nooit zal iets dit beroeren. De doodse stilte wacht hier.
Niets, nooit, zal hier beweging kunnen brengen.
De sfeer van alles wat leven is, zal nooit meer hier terugkomen.
Het verstikt hier, alles is waardeloos, niets kan hier gedijen.
Geen leven is hier meer aanwezig.
Het leven is dood hier, is verstikt. Het heeft geen basis meer, het mist het gevoel.
Het leven is voor eeuwig dood, nooit komt het hier meer terug.
Het leven is dood, morsdood. Nooit zal er meer leven komen.
De verstikking is oneindig. De stank en de ellende zijn niet te overzien.
 
En toch is er leven hier. Het kruipt, het zucht en het steunt.
In de verstikking is het woord, is Gods leven, is Gods liefde.
De verstikking is zodanig dat alles doodgaat. Het leven wordt bij de keel gegrepen, niets kan meer overeind kan blijven.
De verstikking schrijdt voort. Iedereen in zijn wurgende greep.
De verstikking knijpt de keel dicht, doet het leven ophouden te bestaan. De verstikking is afschuwelijk. De ogen vallen uit het hoofd, de handen klauwen om zich heen. De verstikking doet het lichaam worstelen.
De verstikking grijpt alles aan. Niets beweegt meer alles is verstikt, is dood.
Het verstikkingsproces gaat verder, steeds verder. Geen leven is meer mogelijk, kronkelend, zuchtend, steunend  in de wurgende greep van de verstikking, kronkelend gaat de doodsnood, het afschuwelijk einde, het langzaam komen tot verstikking.
 
Oneindig is deze verstikking, niets kan hier meer gedijen, geen leven, geen mens, geen plant, geen dier, eeuwig zal dit ten onder gaan in een vage, grauwe, wurgende verstikking. Verstikking die het leven de adem beneemt, die voortschrijdt tot in het diepst van de aderen, die de grond onder je voeten wegkrampt, je nagels machteloos laat klauwen/grijpen, die doorzet tot in je huid, in je keel, die je wurgt, in doodsnood doet happen naar adem, schokkend een paar ademteugen probeert te krijgen. Niet meet weten hoe je het hebt.
De paniek de angst, de verstikkende dood, het “nee dat wil ik niet” gevoel, het niet meer weten waar je het zoeken moet, het is onontkoombaar. Het komt op je af, ’t drukt je ogen uit, het vermorzelt je schedel, het snijdt je keel af, het slaat je wang in, het wurgt je, het laat je kronkelen in paniek, het snijdt je benen af, het steekt in je buik, het rijt je ogen open, het slaat op je schouders, en weer en weer op je gezicht, je hoofd, je haren worden er in afschuwelijke paniek uitgetrokken, je geslachtsdelen worden van je lijf afgetrokken, je benen worden opengereten, je anus en je billen worden kapot gemaakt, je rug wordt kapot geslagen, keer op keer worden je geslachtsdelen kapot getrokken, van pijn en angst weet je niet meer wat je moet doen.
Het verschrikkelijke licht, het zwaard van de pijn, afschuw, paniek en ellende vlijmt, brandt door je heen. Van pure paniek en angst weet je niet meer wat je moet doen. Steeds weer opnieuw brandt het door je heen, je voelt die pijn dat zwaard doorbranden
 
Het vlamt nu door je hele lichaam, pure directe paniek en angst, de ervaring van totale ellende.
Het zwaard van pijn en paniek brandt door naar je benen, het vlamt door je voeten en je handen.
De afschuwelijke paniek gaat nu helemaal door je heen.
De vlammen beginnen je uit te slaan, alles om je heem is nu vreselijk. Een hel van vlammen.
Wit vloeiend is het zwaard van licht in je. Heter en heter wordt het in je.. Het felle witte licht breekt door in je buik, in je onderbuik, in de aanhechtingsplaats van je geslachtsdelen. Trappelend van paniek brandt het licht naar beneden door, je dijbenen en nu ook door je hele lijf.
Het einde, het alles verzengende, de bevrijding ook los van dat lichaam, het opgeven, tranen van  machteloosheid en loslaten.
Verzengend gaat het zwaard, het vuur, het wit brandende licht door.
alles opgegeven.
Huilend.
Loslaten van het leven, het verlangen, het laten gebeuren.
Verschrikkelijk.
Het loslaten van het willen, het verlangen.
Helemaal doorgloeit het witte licht je. Het laat los, het brandt.
’t Stroomt, afschuwelijk, onmachtig, pijnlijk.
Je geeft op.
 
’t Licht stroomt nu helemaal door je heen, je durft je nauwelijks te verroeren, bang om dat moment van rust te verstoren.
Je bidt tot God, je eigen diepste innerlijk, om dit gevoel van rust en lichtheid nog even te mogen behouden en het te laten groeien.
God zal je horen en je verzachten.
Steeds meer zal het licht in je groeien.
Een zacht licht van genade
De Goddelijke genade.
 
Zacht bijna onmerkbaar bidt je, vraag je naar binnen het licht te mogen zien.
De angst en paniek zijn nog in je lijf, maar midden in je groeit zachtjes dat zachte licht. Het licht van rust, van genade, van innerlijk leven.
Als een zon straalt het uit je,
Je wordt helemaal van licht, een wezen van licht. Heel voorzichtig nog. Je voelt nog oude neigingen in je. Weer trekt een oude golf van hardheid en verlangen door je hoofd en volgt een brandende golf van licht van paniek en angst.
Toch het zachte licht, middenin gloeit door. Zachtjes komt er iets groens, iets lenteachtigs. Eens heel lang geleden was er het gevoel van groen, bladeren, bomen en zonlicht door de bladeren.
O God, laat het zonlicht terugkomen.
Heel zachtjes, heel voorzichtig bidt je van binnen naar God, voor een sprankje zon, voor dat warme licht en het even voelen van de lentelucht.
 
’t Wordt stilaan lichter om je heen, alsof de echte wereld weer terugkomt.
Even lijkt het alsof je een lentewind kunt voelen. Steeds zachter wordt het. Je kunt wel huilen van ontroering, ’t Leven komt terug.
Langzamerhand komt je huid weer tot leven, de wind strijkt er langs. Je verhardt wat, en even is daar weer dat brandende licht dat door je heen gaat, door je hoofd.
Rustig keer je weer terug naar het stille ontroerende gevoel, waar je eigenlijk nauwelijks raad mee weet.
Rustig aan komt die schittering in je benen: je kan staan op je eigen benen, heel onwennig nog. Het licht trekt daar doorheen.
Je probeert een voorzichtige stap
O God geef me de kracht om wat vooruit te komen, een stapje verder, hoger te mogen maken.
Weer bid je zachtjes
Wankel sta je daar nog.
 
Zachtjes waait een lentebries, vol licht, een zachte lentebries die je wilt volgen.
Wankelend , tastend nog, heel voorzichtig ga je op pad.
Soms komt nog even hardheid en het verlangen in je, brandend volgt dan het licht.
Heel langzaam stapje voor stapje ga je dat pad op alsof je geholpen wordt. Alsof er wezens van licht zichtbaar worden, die jou komen helpen.
Langzaam, stapje voor stapje ga je verder, het is moeizaam en je moet het op eigen kracht doen.
Langzaam ga je warmte voelen van de wezens van licht, je krijgt hoop, bijna ben je er.
 
Je kunt nauwelijks staan, je knieën zakken wat door.
O God, laat me dit bereiken, dit licht, deze lente, dit gevoel, breng mij, leid mij tot het licht.
Je begint je wat steviger te voelen, je stap wordt wat krachtiger. Je voelt dat je langzamerhand opgenomen gaat worden in die warmte-uitstraling van de wezens van licht.
Ze zullen jullie begeleiden op jullie weg naar de warmte, het gevoel, de liefde en het licht.
Zachtjes zal het in jullie beginnen te ontdooien, te ontwaken. Steeds meer helpers zie je, ze omgeven je met warmte, nog even en je komt in het licht terecht.
 
Weer gaan er gevoelens van hardheid door je heen, weer de pijn van het brandende licht dat het tot oplossing brengt. Maar nu is er ook zacht wit licht dat het draaglijker maakt.
Zachtjes voortgaande, je hebt al een pas vooruit gedaan, een duidelijke stap, ga je ademen.
Je longen beginnen zich met lucht te vullen, heel moeizaam en onwennig nog gaat er wat ademhaling beginnen.
God van mijn hart, laat wat ademhaling, wat adem des levens, bij mij naar binnen stromen zodat ik weer kan adem halen, zodat mijn  longen zich weer met lucht vullen. Het kan opbollen en golven in me, de lucht me helemaal vervult om dan weer zachtjes uit te ademen.
 
Rochelend moeizaam komt de ademhaling op gang, dan stroomt er ineens iets. ’t Begint te lijken op een echte ademhaling, moeizaam, steunend begin je te ademen.
’t Lijkt alsof de helpers lucht naar jullie toe wervelen, een beetje helpen met mee-ademen.
 
Je loopt door, zuchtend, steunend, hijgend. ’t Verruimt in je borstkas. Weer die hardheid die omhoog komt, weer dat brandende licht en dan vloeit ook dat weg. Je kunt wat ruimer en opgeluchter ademhalen.”
                                                    ------

De hellevaart voltooid 

De laagste donkere sfeer is nu door de Christus bereikt. Daarmee zijn alle donkere sferen door de Christus bezocht en de mensen die er aan toe waren opgevangen om stappen te maken in hun ontwikkeling vanuit het duister naar het licht toe. Dit weblog heeft daar een impressie van gegeven. Het lijkt wel of met het bezoek van de Christus, iedere donkere sfeer een eigen hulplijn heeft gekregen van de Christus. Een hulplijn om uit de duisternis te gaan naar meer innerlijk licht. 
In de boeken van Jozef Rulof wordt ook beschreven dat de mensen van de meest donkere sferen eerst weer op aarde moeten  incarneren maar zullen dan zeer hulpbehoevend zijn, niet in staat een normaal menselijk bestaan te leven. Pas in latere incarnaties kunnen ze zich weer ontwikkelen om een meer volledig menselijk bestaan op te bouwen.  Veel hebben ze ook goed te maken om los te kunnen komen van de aarde.

► Naar de opstanding
►Terug naar beginpagina hellevaart